Maandelijks archief: september 2004

Lilith onderzoekt het zaakje

Weet je wat ik nu eens echt leuk vind? Ergens naartoe gaan op een tijdstip waarop je er nog nooit bent geweest. Dat je er dus al wel eens bent geweest, maar steevast op een heel ander moment van de dag.

Zo ging ik vroeger elke maandagnamiddag rond twee uur schoolzwemmen. (Ik zwom dus geen twee uur, maar ik begon er omstreeks twee uur aan, let goed op want een misverstand is gauw de wereld in.) Eens omgekleed hoorde je al van ver het holle geroep en getier van de kinderen van andere scholen, die ook elke maandagnamiddag kwamen schoolzwemmen. (wie roept er trouwens altijd zo in het zwembad? Ik ben er zeker van dat ik nog nooit in heel mijn leven heb geroepen in een zwembad. Wie is het dan wel? En kan dat niet wat stiller? Enzo)
Zo kennen we het zwembad weer, denk je dan als je nog droog het strijdveld opstapt: een kolkend azuurblauw bad dat tot in de kleinste hoek-en kantjes gevuld is met wilde maandagnamiddagzwemmertjes die niet eens echt zwemmen, maar gewoon water naar elkaar spuwen waar ze net zelf in hebben geplast.

En toch kan het ook anders! Dat weet ik heel goed, want tijdens vakanties ging ik altijd op maandagmorgen zwemmen. Dan bekijk je het hele gebeuren toch iet of wat met andere ogen, dat kan ik je wel vertellen. Op maandagmorgen is het zwembad namelijk het rijk van de bejaarden. En dan kolkt het bad niet alleen minder (en trager), er wordt ook helemaal niet geroepen of met water gespuwd ofzo. Plassen in het water doen ze dan waarschijnlijk weer wel, omdat de kans op naar de bodem zinken met een volle incontinentieluier nu eenmaal niet gering is in dit soort situaties.

Als een zwembad anders is des morgens dan des namiddags, dan kunnen andere openbare plaatsen natuurlijk niet achterblijven. Indien dat wel zo was dan zouden boekenwinkels vol liggen met dikke turven, getiteld ‘Wat is dat toch met het zwembad in de morgen?’ en ‘Het zwembad: een tijdlijn’. Dat is naar mijn weten niet zo, en dus besloot ik vanmorgen in alle vroegte op locatie te gaan, gewapend met vragen als ‘hoe zit dat eigenlijk met de supermarkt?’ en ‘zal ik niet teveel opvallen in deze voor mij geheel nieuwe atmosfeer?’

Niks kan je voorbereiden op een onbekende situatie als deze, dus besloot ik om er gewoon voor te gaan. Ik slaakte een zucht van herkenning toen bleek dat de automatische schuifdeuren van de supermarkt het ’s morgens vroeg ook gewoon doen. Diep vanbinnen had ik namelijk een beetje gevreesd dat ochtendwinkelaars via een geheim achterpoortje naar binnen gaan, en dat ik direct door de mand zou vallen wegens het paniekerig staan zwaaien naar het elektronisch oog van de deuren. En het ging niemand (niemand!) ook maar iets aan dat dit mijn eerste keer was. Als iemand ernaar zou informeren zou ik gewoon beheerst meedelen dat ik al jaren ochtendwinkel, maar dat de mensen mij niet meer herkennen sinds ik van haarkleur ben veranderd. Glimlachend om dit jammerlijke misverstand zou ik wijzen naar de rayon met kleurshampoos, en ik zou onthaald worden als de verloren dochter die de ochtendwinkelaars nooit hadden gekend.

Vreemd genoeg informeerde niemand naar de reden van mijn komst. Ik nam een mandje (die zijn er dus niet enkel in de namiddag) en slenterde onbezorgd ogend tussen de rekken, als deed ik het elke dag zo en niet anders. En ja hoor, daar waren ze weer, ik wist het! Ook in de lokale supermarket ligt de gemiddelde leeftijd van de bezoekers twee tot drie maal hoger in de ochtend dan in de namiddag! Dit gegeven zorgt ervoor dat je niet zoals anders van het ene rek naar het andere kan snellen op zoek naar een potje amÈricain preparÈ en een kilo appels, maar je overgeleverd bent aan het tempo van een generatie in de herfst van haar leven. Tot drie maal toe werd mij de pas versperd door in het midden van het gangpad gepositioneerde winkelkarretjes. Rond die winkelkarretjes een hele meute bejaarden met alle tijd van de wereld. Of toch zeker tot de middag, want dan zou hun rijk weer over zijn. Of tot ze doodgaan, want zo’n dingen weet je nooit, natuurlijk.

Ik deed er beduidend langer over dan anders om al mijn broodnodige boodschappen te verzamelen, maar gelukkig was de rij aan de kassa kort in vergelijking met de namiddagrijen. Ik zag hoe alle oudjes met cash geld in de hand klaarstonden, en toen borrelde mijn paniek weer even op. Terwijl de kassiersters op een luidere toon dan anders de prijzen in het oor van de betalende bejaarden riepen schoten mijn ogen naar de bancontactautomaten. Die waren er nog, aangesloten en al. Ik rekende af en meende een ogenblik te horen hoe iedereen de adem inhield toen de terminal ‘piep’ deed. ‘Het is een machientje om geld te betalen zonder geld’ wilde ik roepen, maar ik moest low-profile blijven, ik was nu al zo ver gekomen.

In het naar buiten wandelen keken drie oude grijze mannen mij verwonderd aan. Ik deed alsof ik buiten iemand zag die ik kende en vluchtte snel weg, de parking op. Achter mij meende ik het kletteren van een wandelstok te horen.

Afscheid

gshock.jpg

Ik zit een beetje in een afscheidsfase. Mijn roze baby-G en ik, wij gaan namelijk binnenkort uit elkaar. No hard feelings, dat zeker niet, maar gewoon een beetje op elkaar uitgekeken. Het komt voor in de beste relaties, naar men zegt.

Mijn roze baby-G en ik, wij hadden nochtans een goede, pure relatie. Dat kwam door kleine simpele dingetjes: toen ik hem jaren geleden kreeg van mijn moeder voor mijn verjaardag stelden we voor de grap het alarm in. Op zeventien uur vier. Jaja, mijn moeder en ik, wij grappen wat af op mijn verjaardag. Sinds die dag heeft hij zeventien uur vier nog nooit overgeslagen: biebiep biebiep biebiep. Daar moeten mijn roze baby-G en ik dan stilletjes om lachen. ‘Aha ja, het is zeventien uur vier’ giechel ik dan, duim omhoog richting roze baby-G. Dan discussiÎren we nog even dollend over het feit dat het volgens hem 5:04 is, zonder zeventien. Om hem te straffen duw ik het alarmpje dan af, want ik heb altijd gelijk. Mens versus baby-G: 1-0.

Maar deze week waren de kwinkslagen ver te zoeken: het roze lichtje waar hij altijd zo trots op was is heel licht roze geworden, in plaats van dynamisch fluo. Het dansende mannetje op zijn scherm danst uit het ritme. Hij biept met minder overtuiging om zeventien uur vier, en als ik mijn duim in de lucht steek om hem op te beuren heft hij zijn horlogeschoudertjes zwakjes op. En toen ik hem daarnet aan een nadere inspectie onderwierp ontdekte ik dat hij zijn schermpje niet meer onderhoudt: het is vies en zit vol krasjes. Dan weet je genoeg.

Ik ben dus op zoek naar een hip, gemotiveerd horloge met een alarmpje, voor zeventien uur vier. Want op dat moment herinner ik me hem het liefst. Biepend en grollend.

Soorten verdriet

‘Veel soorten van verdriet, ik noem ze niet.
Maar ÈÈn, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo’n pijn, maar het
afgesneden zijn’

Dat zei iemand ooit eens. Ik keek naar AndrÈ Hazes in zijn kist op de middenstip en toen weer naar het publiek: die grote groep allemaal-verschillende-mensen die allemaal op hun eigen, unieke manier verdrietig waren. Ik werd er ook een beetje verdrietig van, en dat vond ik een beetje stom want ik had niet eens echt iets met AndrÈ. Dus beet ik maar op mijn lip en ik wachtte tot iemand van zender zou veranderen.

Dat gebeurde niet. Ik twijfelde of ik het erop of erover vond. Ik heb het altijd een beetje moeilijk met begrafenistranentrekkers, namelijk. Dan zit je al heel de dienst je tranen weg te slikken omdat je niet wil huilen waar publiek bij is, en net als je een hele grote snik hebt weggeslikt, zo hard dat je keelpijn hebt en zo snel mogelijk weg wilt, weg van hier, net dan gooit er iemand ‘Afscheid nemen bestaat niet’ van Marco Borsato op de evangelische cd-speler. En dan krijg ik het gevoel dat ik verloren heb, want ik doe wat van me verwacht wordt: ik huil een potje mee met Marco. Of met Celine. Of soms zelfs met die dekselse Eric Clapton. En ik heb verloren, want ik vind het mooi. Makkelijk, maar mooi.

Dat gevoel manifesteerde zich gisteren ook, toen ik vanonder mijn dekbed een blik wierp op een barstensvol stadion met een kist vol rozen in het midden. Het hoofd van AndrÈ in zwart-wit op een groot scherm geprojecteerd, en daar ergens onder zijn vrouw en kroost, perfect gepositioneerd voor de broodnodige close-ups. Zijn Rachel huilde niet. Dat vond ik goed, want ik huilde ook niet. ‘Niet huilen, Rachel, want ze willen je zien huilen en dat moet je hen niet geven!’ dat vond ik er voornamelijk van.

De rest van het stadion huilde wel: ik zag tranen op veel te oranje fond-de-teint, ik zag stoere mannen met cowboyhoed die probeerden om hun AndrÈ Hazes-sjaal niet in brand te steken met hun zelfgedraaide sigaret en ik zag een heel mooi verdrietig zijnde Paul De Leeuw. Ik kreeg het koud, maar ik huilde niet. Ik keek naar Rachel en Rachel keek terug, met droge ogen. Als ze het straks tijdens ‘Zij gelooft in mij’ droog weet te houden is het ergste achter de rug en mag ze naar huis om uit te huilen, dacht ik, en ik kruiste mijn vingers.

Toen Xander de BuissonjÈ de eerste tonen van het nummer op piano bracht probeerde ik haar terug te vinden in het publiek maar ik vond haar nergens meer. Duizenden verdrietige mensen zongen mee dat ze in hem geloofde, en toen verloor ik weer. Door mijn waterige ogen zag ik dat ze zich nog altijd sterk hield. Ik niet. Ik had het opgegeven en ik vond het mooi.

DHL

‘Kelly, er staat hier een meneer met een pakje voor jou, en je moet komen aftekenen’ zei mijn collega aan de telefoon.

Ik laat nooit pakjes afleveren op mijn werk, en terwijl ik de trap afliep ging ik aan het denken. Zou ik een geheime aanbidder hebben? Zouden het rozen zijn? Of een doos chocolade? Of rozen van chocolade? Het zou wel reclame zijn voor ÈÈn of ander product waarvoor ik een offerte had moeten opvragen, ofzo. Of een laat verjaardagscadeau van een tevreden klant. Hoewel ik nooit mijn verjaardag meedeel aan de telefoon. Maar op internet vind je hem vast wel ergens terug. Misschien had ik wel een kostbaar stuk antiek geÎrfd van een verre oom. En konden ze mijn adres niet meer vinden en hebben ze heel het land afgebeld tot iemand zei: ‘Ow, dat meisje van die kostbare erfenis, dat werkt daar ergens, in module 48!’

Mijn blik viel op een grote vrachtwagen van DHL. Aan de vrachtwagen stond een jongen vriendelijk naar me te lachen, met een pakje in zijn hand. ‘Dag Kelly, kun je hier even tekenen?’ zei hij, en duwde het pakje in mijn handen. Op het pakje zag ik mijn naam staan, en mijn thuisadres. Het kwam uit Amerika. Ik snapte het niet echt goed. Dat zag hij. Een beetje verlegen keek hij naar de grond.

De DHL-jongen bleek de ex-man van een collega te zijn. Hij had me ooit eens gezien, en toen hij vanmorgen het pakje wou gaan afleveren in the crib deed er niemand open. Hij meende zich te herinneren dat hij mijn naam ergens van kende, en op goed geluk reed hij naar mijn werk om me te komen zoeken. ‘Anders moest je het morgen speciaal komen afhalen’ zei hij, en hij glimlachte. Ik keek hem nog verbaasder aan. Dit was zowat de beste service die ik ooit had meegemaakt. Ik bedankte hem en toen was hij weer weg, in zijn DHL-vrachtwagen. Hij was net een heel eind omgereden om Youri’s verjaardagscadeautje te komen brengen.

En dat mag ook eens in het nieuws, man!

Dag van de klant

varken.jpg

Weinig ‘dag van de klant’-gevoel gisteren. Vroeger kreeg je al eens een roos om je te laten voelen dat je die dag koning was, maar gisteren bleven de cadeautjes uit. We bezochten zes winkels en nergens werden we ook maar een beetje vriendelijker behandeld dan anders, laat staan overstelpt met geschenken.

In de Suprabazar (of all places) dook de mevrouw dan toch met haar hand in een doos terwijl ik mijn code intoetste op de bancontact-terminal. Een spaarvarken. Een paars spaarvarken. Het ideale geschenk voor een klant die altijd en overal met bancontact betaalt, en dus nooit meer dan twee eurocent op zak heeft.

Iedereen kan schilderen

Ik zat aan de grote lange eettafel van mijn grootouders: tong uit mijn mond, ogen herleid tot spleetjes, zittend op mijn knieÎn, ook al mocht dat niet van mijn grootmoeder (van mijn grootmoeder moet je ‘mooi’ aan tafel zitten, en op je knieÎn is lelijk). Voor mij lag een vel karton met genummerde vakjes op, en daarnaast vormpjes met een paar kleuren olieverf. In een limonadeglas stonden drie gloednieuwe penselen met fijne haartjes en van mijn grootmoeder kreeg ik een grote rol keukenpapier om de penseeltjes mee af te drogen als ik met een nieuw kleur zou beginnen. Ik was klaar voor mijn monnikenwerk: met behulp van de cijfertjes in de vakjes zou ik het portret van een husky tot stand brengen. Want volgens Ravensburger kon iedereen schilderen.

De afmetingen van het vel karton waren betrekkelijk klein. Volgens mijn grootvader was het beter om met een klein schilderijtje te beginnen om te kijken of je het wel leuk vond, en als je het echt leuk vond, ja, dan kreeg je misschien ooit wel een groot schilderij voor je verjaardag. Ik vond het best. Ik concentreerde me een ongeluk om binnen de lijntjes te blijven en nog voor de namiddag voorbij was keek ik recht in de loensende ogen van mijn husky. Mijn grootouders waren het erover eens dat ik heel mooi had geschilderd, en dus mocht ik de husky ophangen in mijn slaapkamer. ‘Kras er je naam maar in.’ knipoogde mijn grootvader. ‘Krassen? In het schilderij?’ ik keek hem verbaasd aan. ‘Alle grote kunstenaars ondertekenen hun werk toch?’ zei hij, terwijl hij het nog natte schilderijtje mijn richting uit duwde. Met de achterkant van het penseeltje schreef ik zo mooi als ik kon KELLY in de natte olieverf. ‘Doe er de datum ook maar bij, zodat je weet wanneer je het hebt geschilderd’ wees mijn grootvader naar een plekje onder mijn naam.

Toen ik maanden later een veel groter kartonnen vel met vakjes kreeg voor mijn verjaardag begon ik er met even goede moed aan, maar een grote boerderij vol dieren en tractors en boeren op het veld laat zich een heel stuk minder snel afwerken. Gelukkig kreeg ik er het gezelschap van mijn moeder bij, die naast mij heel geconcentreerd zat te werken aan een schilderij van een strand, met in de verte hier en daar een boot. ‘Gaan we iedereen kan schilderen?’ zeiden we dan, als we even niks anders te doen hadden.
Mijn schilderij raakte jammergenoeg nooit af, omdat de olieverf na een paar weken was veranderd in harde klodders met hier en daar iets dat op olie leek, en omdat mijn penseeltjes nog maar drie verharde haartjes telden. En omdat ik geen geduld heb voor grote projecten waar geen einde aan lijkt te komen, dat ook.

Gisteren ging ik op zoek naar een nieuw groot kartonnen vel met genummerde vakjes, want nostalgisch als ik ben wil ik dat soort dingen tijdens barkoude winteravonden wel nog eens een kans geven. Niet om het uiteindelijk een plaats in de woonkamer te geven ofzo, want die schilderijtjes blijven objectief gezien allemaal even lelijk, maar gewoon, voor de lol. In de twee gigantisch grote speelgoedwinkels waar ik gisteren doorliep waren welgeteld zes dozen van Ravensburger te vinden, maar enkel als je ongelooflijk goed zocht. En ze leken in de verste verte niet meer op de schilderijtjes die ik vroeger maakte. Lelijke afbeeldingen van bloemen waren het, zonder enig oog voor detail, terwijl dat ooit zo belangrijk was voor de creatieve kleuter in mij. Krabvellen, dat hadden ze wel. Zwarte vellen waarop na even krabben een tekening in zilver te zien valt. Meer geduld kan de jeugd van tegenwoordig blijkbaar niet meer opbrengen op koude winteravonden, want er moet nog gesmst, gemsnd en gexboxd ook, natuurlijk.

Eens de laatste zes lelijke Ravensburgdozen de deur uit lijkt het Iedereen kan schilderen-tijdperk dan ook definitief voorbij. Niet hip en snel genoeg, waarschijnlijk. De kleine Kelly die op 17 maart 1989 haar husky ophing in de slaapkamer bij haar grootouders kan er enkel maar een beetje om huilen.

Win some, lose some

Verloren sinds 1 januari:

* mijn soundtrack van AmÈlie Poulain (het doosje heb ik wel nog, maar ik had het liever andersom gezien)
* mijn wilde rode haren
* mijn colruyt-aansteker
* een spelletje minigolf

Gewonnen sinds 1 januari:

* een appartement
* een Billtje
* een weblog
* een paar kilo lilith
* een superbe camera met zoomlens

De balans is redelijk positief. En van jou?

Via tx.

Exotisch

Ik woonde in een rijtjeshuis in Ledeberg. Niet echt wonen natuurlijk, want elke vrijdagavond trok ik braaf en geladen met een zak vol vuile was in een overvolle trein terug naar mama, maar op kot, dat zat ik niet. Ik krijg het altijd even lastig als mensen me vragen of ik in Gent op kot heb gezeten, of elke dag terug naar huis ging. Alsof dat de enige opties zijn. Ik zat helemaal niet op kot, meneer, ik deelde een huis met drie vrienden. Zoals in Friends, weetjewel. Of zoals in het leven van jonge, hippe studenten die hun eigen boontjes kunnen doppen.

In ons rijtjeshuis was ik het enige meisje, de andere drie waren voornamelijk jongens. Dat heeft een beetje te maken met het feit dat zo goed als al mijn vrienden jongens zijn plus dat ik er niet mocht aan denken om drie jaar te moeten samenhokken met iemand van het vrouwelijk geslacht. ‘Wie heeft mijn nagellak gepikt?! Wat doet die natte handdoek hier in de badkamer?! Vind je mijn gat niet te dik in deze rok?’ The horror!

Het rijtjeshuis leek in niets op het dure appartement waarin Monica en Rachel woonden, maar we hadden wel elk onze eigen kamer, een tv-hoek met de zachtste en tegelijk lelijkste zetels die je je kan inbeelden en een klein koertje waarop we elkaar bij nachte leerden jongleren. En een keuken met een blaadje op de frigo waarop een ongebruikt afwasreglement stond, daar opgehangen omdat het zo echt niet verder kon. Later werden ook in de rest van het huis reglementjes opgehangen (vuilniszakken niet vergeten buiten te zetten! frigo uitkuisen voor je naar huis vertrekt! servies wegzetten na het avondeten! Wanneer gaan jullie nu eindelijk eens aan die afwas beginnen?!) maar echt baten deed het niet. Soms wilde ik dat ik toch maar met een kuisziek vriendinnetje was gaan samenhokken, maar dat was enkel heel soms.

Het leukste aan ons huis in Ledeberg vond ik dat het in een multi-culturele buurt lag. In de straat hing vaak de geur van cous-cous, ’s avonds speelden er afrikaanse kindjes buiten en door het raam van mijn kamer hoorde ik keiharde turkse schlagers binnenwaaien. Winkeltjes met exotisch eten rezen er als paddestoelen uit de grond, en eens in de week ging ik naar den turk om verse tomaten en overheerlijk plat turks brood te gaan halen. Turks brood met boter en choco, ik zou er mijn koninkrijk voor wegschenken. En voor ÈÈn appel moest je er niet betalen, die kreeg je gewoon met een glimlach mee, weet ik uit ervaring.

Eens afgestudeerd en naar de westhoek teruggekeerd verbaasde ik me over het feit dat er in geen kilometers omtrek een turks brood te krijgen was. En als je bij nachte plots zonder sigaretten zat dan was het wachten tot de volgende dag op je dosis nicotine, want nachtwinkels waren er ook niet meer. Deze namiddag was ik dan ook lichtjes in mijn nopjes toen ik zag dat Ieper nu ook zijn eigen turks winkeltje heeft, compleet met bokalen vol vreemde ingemaakte groenten en onuitspreekbare merken. Toen ik mijn exotische lekkernijen wilde betalen legde de turkse eigenaar me in gebrekkig engels uit dat hij de prijs was vergeten, waarop hij naar zijn gsm greep en zijn turkse vriend opbelde, die de prijzen blijkbaar wel uit het hoofd kende. Na vijf minuten en veel heen en weer geroep door zijn oude nokia drukte hij af: dat was dan drie euro.

‘Thank you!’ zei ik, en ik meende het heel erg.