Maandelijks archief: oktober 2005

lilith en de plastieken buis

pere3.jpgAls om het even welk ander meisje vanmorgen op medisch onderzoek moest had ik eens hartelijk kunnen lachen met de hele situatie. Maar het was ikzelf, jammerlijk genoeg. Om maar te zeggen dat het niet meteen was hoe ik mijn lang weekend had laten beginnen als ik had mogen kiezen. Of in een film over mijn lang weekend, for that matter, die ik “The long and winding weekend” zou titelen als mijn impressario zijn fiat zou geven.

Ik ben als de dood voor medische onderzoeken.
Ja, dat had ik al verteld.
Maar lees toch even mee, want het wordt spannend.
Het angstzweet breekt mij uit als ik opgeroepen word om me van boven tot onder te laten keuren, meten, wegen, prikken en op mijn knieÎn moet laten kloppen met een hamer. Ik heb in het verleden tientallen slapeloze nachten beleefd die voorafgingen aan zo’n medisch onderzoek, en telkens hield ik mezelf wakker met het beeld van strenge verpleegsters die me afkeurend zouden aankijken terwijl ik in mijn onderbroek op de weegschaal zou staan, de blikken van de helft van de klas op mij en mijn onderbroek gericht.

Ik heb altijd gedacht dat het een angst was die zou overgaan eens ik ouder van dag zou worden, maar ik dacht verkeerd.
Nadat ik een half uur verslagen had zitten kijken naar de oproepbrief die mijn lot van de afgelopen week bezegelde belde ik dinsdagmorgen naar de secretaresse van dokter Van De Ploeg (want ja, ik probeer toch altijd iets leuks te maken van mijn fobiÎen).
“Wat houdt dat zo allemaal in, dat medisch onderzoek?” vroeg ik alsof het gewoon een spontane routine-vraag was die net in me was opgekomen, en geen vraag waarvan ik me al een half uur zat af te vragen of ze niet stom/kinderachtig/getuigend van een idiote artsenfobie was. “De dokter zal een vragenlijst invullen, wat bloed afnemen voor onderzoek en u zult een urinestaal moeten aanmaken” zei de secretaresse alsof het haar idee was van een leuk dagje uit.

En meer had ik niet nodig om de rest van de week met een vreemdsoortige kriebel in mijn borstkas rond te lopen. Kijk, ik ben niet bang voor naalden, ik vind stethoscopen niet te koud of te ijzer, en ik kan het best aan als iemand me vraagt of hij even in mijn keel mag kijken. En urinestalen, die lever ik aan op commando. Geen enkel probleem! Het is al de rest die er teveel aan is. Het wachten in een vreemde wachtzaal, niet wetend welke dokter je onder handen zal nemen. Met een kramp in je maag dan toch maar een TV-familie van april 2004 doorbladeren. Je plots heel erg bewust zijn van elke kilo teveel, ook al gebied de eerlijkheid me te zeggen dat dat vaak niet eens nodig is. Ik voel me nog steeds enorm ongemakkelijk bij het “sta eens op de weegschaal zodat ik je kan vertellen dat je overdreven voorzien bent van poten en oren”-deel, maar ik moet toegeven dat dat moment de laatste jaren altijd veel beter is meegevallen dan ik had gevreesd.

Hetgeen waar ik echt kapot van ga is de resultaten, en het wachten erop. Telkenmale ben ik ervan overtuigd dat ze iets ergs en ongeneeslijks gaan ontdekken, waarvoor ik direct in quarantaine zal moeten en mijn familie en lief nooit meer zal mogen terugzien, behalve door een plastieken buis. En die angst is eigenlijk best ongegrond, aangezien niemand ooit iets vreemds heeft ontdekt aan mijn persoon.

Tot vanmorgen. “Uw bloeddruk is ongewoon hoog” zei de strenge dokter beschuldigend. “Bent u zenuwachtig?”
“Ja” piepte ik, wat waar was, want ik wilde zo snel mogelijk weg uit de lelijke dokterskamer van de veel te strenge dokter. De dokter duwde een naald in mijn arm, trok er een hele tube bloed uit en begon opnieuw. Ik moest kalm en braaf wezen. Ik deed mijn best, maar het mocht niet zijn. Ik, die altijd een perfecte bloeddruk had gehad, ging weer volledig in het rood. “Risico-situatie” bromde de dokter terwijl hij iets op een papiertje pende. “Ik ga dood” dacht ik. “Jij gaat naar de cardioloog” zei de strenge dokter.

Was me dat even een geweldig AmÈlie Poulain-momentum, zeg.

Zoow. Nu enkel nog bang afwachten op de resultaten van mijn bloed- en urineonderzoek, en hopen dat mijn hart het niet begeeft bij het openen van de envelop. Want jahaa, dit wordt zo’n “strijd tegen ziekte”-blog hoor, dat zul je zien! *aah*

[PROJECT] Schettigheidsoverdose 2005!

Ik wens eenieder een warm hart voor de koude winterdagen.
Ofzo.

jack_kl.jpg

Dit is Jack, de uiterst bereschattige kater van de kok van de webkitchen, die er trouwens ook wel mag wezen.

poeze_kl.jpg

Sarah van tiekenei nomineerde deze semi-scheelkijkende kitten, die luistert naar de naam nin en eigendom is van Flickr’s dockmaster.

DwayneHeadSmall_kl.jpg

De jarige jongen (yes yes, feliciteer hem maar) van things beyond things vond de schattigheid van deze knakker over het randje.

to_tired_to_eat_kl.jpg

Ik word persoonlijk helemaal niet goed van de schattigheid die van deze foto knalt.

knurfje_kl.jpg

Sunnymoon is zot van dit knurfje. And who can blame her?

elfke_kl.jpg

Gawd kijk, het is een schattig elfje op een onwerkelijk schattig zwart katje. :aah:
Met dank aan die jarige jongen van things beyond things.

vies_kl.jpg

Volledig buiten competitie? Ik dacht het wel.

lilith is een Afrikaans sekssymbool

eddie_murphy.jpgWeinig mensen zijn er zich terdege van bewust, maar ik ben een Afrikaans sekssymbool.
Niet dat ik ermee te koop loop ofzo.
Maar ik ben het lekker wel.

Ik beschik over kwaliteiten die Afrikaanse mannen zover heen krijgen dat ze mij overal naartoe volgen, mij om de haverklap aanspreken, smeken om dates en mijn gsm-nummer, en meer van dat moois. Sterker nog: studies hebben uitgewezen dat als er zich ÈÈn neger in een omtrek van drie kilometer bevindt, hij mij altijd weet te vinden voor een hemelinprijzend gesprek. Studies hebben ook uitgewezen dat het niet echt verstandig is om mijzelf op plaatsen te begeven waar veel Afrikaanse medemensen vertoeven, wil ik een rustige avond tegemoet gaan. Studies hebben uitgewezen dat dat komt doordat ik goed voorzien ben van poten, oren en heel wat andere dingen waarvan Afrikaanse godendochters voorzien horen te zijn. Studies hebben uitgewezen dat ik voor Afrika ben wat Veronique De Kock voor Vlaanderen is.

Hey, what can I say?

Zo ook vandaag. Ik stapte- niet eens overdreven sexy, want door weer en wind- van mijn werk naar het station, toen plots.
“Hi”.
Iet of wat opgeschrikt draaide ik mij om, wat ik bij nader inzien misschien beter niet had gedaan, want de pose “iet of wat opgeschrikt” windt Afrikaanse kerels op, zo blijkt maar weer. Ja, dat had ik nog niet verteld er stond een Afrikaanse jongen achter mij dus, en hij was het, die “Hi” had gezegd. Dat dat duidelijk is.

“Hi” zei ik tot de Afrikaanse jongen, want ik sta open voor vreemde culturen.
“You speak english?” vroeg de Afrikaanse jongen met een glimlach die hem veel geld zou kunnen opleveren in een Eddy Murphy look-a-like competitie.
“Yes” zei ik, zo gebrekkig mogelijk, want ik wist wat komen zou.
“I really really like you” deed de Afrikaanse jongen, en ik deed mijn Mona Lisa-lachje dat ik altijd gebruik als ik even heel hard moet nadenken en de stilte moet gevuld krijgen tijdens gesprekken over Afrika and my fine ass.
“I have a boyfriend” zei ik, mezelf verontschuldigend omdat ik zo geweldig op hem was overgekomen. Het leuke was dat het nog waar was ook. Warempel, na al die jaren van liegen tegen de helft van Afrika kon ik het eindelijk in alle eerlijkheid zeggen.
“No lady” zei de Afrikaanse jongen weinig onder de indruk. “I really really like you, you like me too”.

Ik trok mijn wenkbrauw streng doch vriendelijk omhoog, waarop de jongen aanstalten maakte om dan maar meteen de daad bij het woord te voegen en mij mee te vragen om iets te gaan drinken, zodat we elkaar heel de namiddag konden plagen en aan mekaars billen konden frotten tot morgenochtend, als in “Out of Africa”.

“No wei howsei”, wilde ik zeggen, maar ik was bang dat hij echt Jose heette (wat een plausibele negernaam is, jawel) en hij het een geweldig toeval zou vinden dat ik dat wist en dat we dus wel samen de liefde MOESTEN bedrijven!
“I’m not really interested” sprak ik snel, en ik zwaaide op Veronique De Kockse manier mijn lange manen over mijn schouder en wenste hem een prettige dag toe. Deksels zijn ze, hoor, die afrikanos. Erg deksels.

Fact is natuurlijk wel: als ik in Afrika geboren was had ik waarschijnlijk al mijn eigen fanblad/kalender/kinky kookprogramma waarin ik naakt kook op een zebra. En elke zichzelfrespecterende negerin zou zich aan mij spiegelen, en toch jaloers zijn als haar echtgenoot mijn naam zou noemen tijdens those special moments. Dat dan weer wel. Een artiestennaam zou ik nemen, want u denkt toch niet dat Veronique De Kock echt Veronique De Kock heet ofzo?

“Oemfoefoe, The Sexy Zebra Bitch From Belgium”.
Something something.

Move over, you Winnie Mandela.

treinergernissen

lijstjes.jpgWeet u nog, de klacht die ingediend was bij de spoorwegen omdat enkele vrolijke fransen erin geslaagd waren om met hun hersenloos kabaal en gelach ergernis op te wekken bij medereizigers? You know, na een jaar dag in dag uit te treinen kan ik daar best inkomen.

Nu U toch bezig bent, o edelmoedige Jannie Haeck…
Kunnen deze bronnen van ergernis meteen ook even bekeken worden?

  • conducteurs die enkel in jouw wagon al twintig keer “dankuwel… asjeblief… dankuwel…asjeblief…” zeggen, op hetzelfde toontje en met hetzelfde timbre.
  • mensen die de binnendeur opendoen om erdoor te lopen, en ze niet weer sluiten
  • reizigers die trekken en sleuren aan automatische binnendeuren die vanzelf sluiten na enkele seconden
  • reizigers die hoognodig tussen de automatische deuren willen blijven staan, ook al schuiven die om de vijf seconden automatisch weer toe
  • reizigers met misselijkmakende lichaamsgeuren die per se naast je willen komen zitten, ook al is de rest van de wagon leeg
  • mensen die in een gesprek niet op de naam van een serie/acteur kunnen komen, en dat jij het wel weet, maar het niet mag zeggen omdat ze zouden denken dat je luistervinkt :aah:

Vooral die laatste dan, Jannie.
Ik haaaat die laatste.

lilith en het geroosterde konijn X

clooney-curtin1.jpgOoit sprak ik, waarschijnlijk onder invloed van de nodige bedwelmende middelen, dat ik een boek zou kunnen schrijven over mijn kindertijd/jeugd. Daar is nog maar bitter weinig van gekomen, maar ÈÈn gedachte houdt me recht: ik heb mezelf nooit een deadline toegekend dus heb ik in theorie ook nog steeds niet gelogen.
En dan denk je: “hey hey, ik heb toch een blogue? Waar wacht ik nog op om te doen alsof ik een boek schrijf over mijn kindertijd/jeugd? Waarop, in godsnaam? Mijn blogue is mijn feestje, and I’ll cry if I want to/cry if I want to!”
En die gedachte brengt ons vanzelf naar het jaar 1990, of iets dat daar erg dicht bij in de buurt zit.

Het jaar 1990 (of iets dat daar erg dicht bij in de buurt zit)

Twee wijken en hun kinderbendes domineerden het dorpje V.
Er was de Streuvelswijk, de sociale woonwijk waarin ik woonde en die vooral bestond uit schorriemorrie van de bovenste tot onderste plank en alles wat daartussenin zat. De andere wijk heette De Cerf, en was een villawijk iets verderop waar de mensen bubbelbaden en sauna’s hadden in plaats van schulden en drankproblemen. De Cerf was de uptown buurt van V., en alles was er beter: de speelpleintjes werden er onderhouden in plaats van kapotgestampt door bmx-bendes, het gras was er groen in plaats van zwartgeschroeid door petards, en men keek er nog op als er een politiecombi de straat kwam ingereden.

Op de een of andere manier had ik me op school kunnen opwerken tot de bende van De Cerf, en dat was goed want zo hoefde ik geen zand en sneeuw te eten om in de bende van mijn wijk te worden opgenomen. De bende van mijn wijk die “De Cobra’s” heette, moet u weten. Ik was te zachtaardig voor de Cobra’s, en doordat ik het geluk had om vriendjes te hebben uit de meest gesofisticeerde wijk van V. kwam ik ook wel eens ergens waar het schorriemorrie van de Cobra’s enkel maar van kon dromen.

In het huis van vriendinnetje L. bijvoorbeeld, dat ik me voor de rest van mijn leven zal herinneren als een knusse maar overdreven cleane berghut die opgetrokken was uit kamerbreed tapijt en oranjehouten planken. Ze hadden er een kast die uitpuilde van de snoepjes, en hun garage leek wel een voorbeeld uit de cursus “hoe deel ik mijn hele huishouden in door het in gelabelde plastieken dozen te steken”. Als die cursus al zou bestaan, that is, en als hij al zou gegeven worden in het afgelegen dorpje V. in 1990 of iets dat daarop lijkt. Maar we dwalen af.

In die garage stond een witte gelabelde plastieken doos, waarvan het deksel altijd open was wegens het feit dat er een overdreven zacht en clean albino konijn in huisde. De naam ben ik vergeten, maar de liefde waarmee de meisjes uit de bende van De Cerf het konijn bepotelden, neen, dat vergeet ik nooit meer. Zo ook waren wij het van plan op een verjaardagsfeestje van vriendinnetje L., en nadat wij met ballons hadden gespeeld en in de veranda (want dat hadden ze!) overdreven cleane zelfgebakken cakejes hadden gegeten van de moeder van L. trokken wij naar de gelabelde garage. Op naar konijn X!

Maar konijn X was weg! Het zat niet meer in de doos, en het was ook niet te vinden in een andere doos, of in de cleane veranda, en ook niet in de vijver of tussen de spelletjesdozen. Konijn X was spoorloos verdwenen. Vriendin L. in tranen, de meisjes van de bende van De Cerf zo goed als, tot plots iemand zich de vraag stelde waar de jongens van de bende van De Cerf eigenlijk waren. En verhip: zij hadden helemaal geen cleane cakejes gegeten in de veranda! Dat was niet pluis!
En toen roken we het: verbrand haar.

In tranen stormden wij de berghut uit, langs de proper onderhouden paadjes en dwars door het speelplein, in de richting van de brandgeur. En daar, in het midden van het grasveld zagen wij het: konijn X, stok in het achterwerk en uit de mond, ronddraaiend boven een zelfgemaakt takkenvuurtje. En rond konijn X de jongens van de bende van De Cerf, het vuur gereflecteerd in hun duivelse blikken. Die dag leerden de meisjes van De Cerf een belangrijke les: alle jongens zijn Cobra’s, diep in hun zieke, zieke binnenste.

Zo’n verjaardagsfeestjes als in 1990, dat maken ze tegenwoordig niet meer, hoor.
O nee!
Tegenwoordig spelen ze playstation en andere homodingen, en dat is best sneu.

For the record: de jongens van de Cerf beweren tot op de dag van vandaag dat konijn X al overleden was op het moment dat ze het uit de doos haalden. De meisjes van de Cerf weigeren tot op vandaag om dat verhaal te geloven.

[PROJECT] Kies hier het liefste dier (2005)

shrekkatse.jpgToen mijn nichtje Sanne nog een klein blond Sannetje was dat blij door den hof huppelde was het om de zoveel tijd van dat. Raadseltjestijd!
Als volgt voltrok zich het tafereel:

Sanne:“Wat is je liefste dier?”
Lilith:“Een ijsbeer”
Sanne:“En wat is je liefste kleur?”
Lilith:“Roze”
Sanne:“En waaaaat is je liefste getal?”
Lilith:“Zevenendertig”
Sanne: *schatert*“Wahahaaa, een roze ijsbeer met zevenendertig pootjes!”

De jaren negentig, het waren schone, zorgeloze tijden.

Eigenlijk misbruik ik dit kinderlijk verhaaltje vooral voor de grote “Kies hier het liefste dier”-verkiezing van 2005. U hoort het goed: tftc gaat op zoek naar de allerschattigste dierenfoto die op het internet te vinden is. Geen zozo-schattig, maar maag uit keelrukkend- en buikomdraaiend vertederend. Hij bestaat. En u weet het, want u hebt hem in uw geheime schattigheidsfolder zitten.

Nominaties mogen ingestuurd worden naar tftc@fromfrats.com, en medio volgende week gaan we stemmen. O ja, dat gaan we. Op babykatjes en fluffy puppies, om van de pandaberen en dolfijnen maar te zwijgen. Men zegge het voort! Doe het! *pathetische stilte*
Voor Sanne.

vies_kl.jpg

Fluffy has my vote.

lilith en de huppeldepup-sensation (deel drie)

huppeldepup.jpgHoe het met Carl zit? Wilt u het echt weten? Echt echt echt?

In mijn herinneringen deed Carl een nieuwe poging om mijn hand met bij voorkeur gespreide vingers de lucht in te krijgen.Hierbij vuurde hij de ene overbodige vraag na de andere af over motivatie, gelukkig zijn, niet gelukkig zijn, soms gelukkig zijn en willen gelukkig zijn. Ik zuchtte diep en keek Carl ostentatief aan, zonder hand of enig ander lichaamsdeel in de lucht. Dit werd niks. Ik was de verloren zaak. Lilith, de witte vlek in zijn feilloze american dream-parcours. “Haar die ik nooit heb kunnen vatten”, zou hij me later in interviews noemen. Dat ene meisje in Kortrijk, tijdens die lezing. “Het wilde maar niet vlotten, toen. Het was ongelooflijk, en yet zo confronterend. Die dag besefte ik dat ik poep praatte.”

Strebertje als hij was ging Cerl nog beter zijn best doen om mij in zijn web van motivatiepraatjes te lokken, en ik zette me nog schrapper in mijn versierde kerkstoel. “Give it al you’ve got” stuurde ik met mijn ogen de zaal door, richting Carl die aanbeland was aan het hoofdstukje “eigenhandig uitgevonden anekdotes”. “I Will”, zag ik hem denken terwijl hij met zijn hand die niet in de lucht stak zijn jaren negentig-haarkuif naar links plooide. Ik zag dat hij zijn kuiten opspande.

Het toonbeeld van motivatietraining in Vlaanderen probeerde me omver te slaan met een verhaal over de wijze waarop hij zijn bloedjes van kinderen opvoedde. En hoe zich dat al op een lollige manier manifesteerde in de kleuterklas.
“Als de kleuterjuf tegen mijn dochtertje van vier zegt dat er een probleem is” begon Carl blinkend van ongepaste trots, “dan zegt mijn dochtertje van vier: “neen juf, we hebben een uitdaging!”
Het was genoeg geweest. Ik ging volledig over mijn nek van walging, en al helemaal toen bleek dat de rest van het publiek smulde van zijn valse verhalen waarin hij zelfs zijn kinderen misbruikte om vrouwen van middelbare leeftijd mee te krijgen. Het zou me niet verbazen als Carl helemaal geen kinderen had, maar al jaren vieze dingen/powermoves deed met een homoseksuele hispanic named Juan.

Dus toen gingen we een beetje naar elkaar zitten staren omdat Carl het niet in zijn Ken-hoofdje kreeg dat ik geen bewonderende geluidjes produceerde bij elke valse anekdote die hij de zaal in smeet. Echt vies was het. “Ik heb een vrijwilliger nodig!!!!!!” riep Carl toen. En hij staarde. Ik terug, maar dan harder. Hij moest maar eens durven. Zijn wijdgespreide hand ging in mijn richting. Het leek wel slow-motion. Ik nam me voor om keihard in zijn kruis te stampen als ik bij hem op het podium zou worden geroepen. Carl schrok, en bewoog zijn wijdgespreide hand richting een mannelijke collega. Dit was priceless. Diezelfde mannelijke collega stond vijf minuten later op het podium met een duidelijk verzwakte Carl onsterfelijk belachelijke armduwspelletjes te spelen, en ik genoot, meer dan ooit.

Ik had Carl Huppeldepup’s power animal vermoord.

verontschuldigend stukje

Ik ben er nog steeds hoor, maar ik heb het alleen een beetje overdreven druk nu.
Ik heb de laatste dagen zelfs zodanig veel getypt dat ik geen keyboard meer kan zien. *rilt*

Om toch maar iets te doen krijgt u een random gekozen foto uit ons foto-archief. Jawel!
Dit keer een pareltje uit het jaar des heren 2004.

woepse_kl.jpg

Komt dat tegen.

lilith en de huppeldepup-sensation (deel twee)

huppeldepup.jpg“Iek ben meneer Huppeldepup, en ik ga jullie iets lere over zelfmotivatie!”

De man die het podium was opgesprongen maakte tijdens het uitspreken van deze zin zeven handgebaren die naadloos overgingen in een ijzingwekkende, door merg en beengaande grijns. “Mijn naam is Cerl” zei de man. Dat is antwerps voor Carl. Ik had nog nooit iemand gezien die zoveel tanden had als Carl, en hij keek erbij alsof hij er graag een applaus voor had gekregen.

“Wie werkt er hier graag?!! riep Carl, en hij stak hierbij zijn rechterhand met extreem wijdgespreide vingers boven zijn hoofd uit om ons duidelijk te maken dat hij dat ook van ons verwachtte, hierbij zo hyper knikkend dat ik bang was dat zijn kin tegen de rand van het podium zou slaan. In tegenstelling tot de rest van de zaal hield ik mijn rechterhand waar hij was: in gebalde vorm in mijn zakken. Dat had niet veel met mijn jobvoldoening te maken, des te meer met Carl, die ondertussen al drie keer het podium was rondgesprongen met zijn hand in de lucht.

“Wie is er wel es ongeluukig?!!!!” *hand in de lucht*
“Wie heeft er wel es van motivatie gehoord?!!!!!” *hand in de lucht*
“Wie duwt ’s morges wel es op snoeze???!!!!” *hand in de lucht*
“Wie is er wel es in Afrika geweest?!!!!” *hand in de lucht*
“Wie heeft er een paarse onderbroek aan?!!!! *hand in de lucht*

[dat laatste is verzonnen, maar als ik in zijn machtspositie had gestaan had ik toch zeker even gepolst]

Carl liep zodanig over van zichzelf en zijn utter crap dat ik overging tot de enige oplossing op dit soort uitermate pijnlijke momenten: door middel van oogcontact een gelijkgestemde ziel in de zaal vinden en de rest van de tijd schalks naar elkaar oogrollen telkens Carl over de denkbeeldige lijn springt. Ik keek rond, en negeerde hierbij de lelijkste powerpoint-presentatie die ik in tijden had gezien, wanhopig zoekend naar een levende ziel die Carl een even grote zak lucht vond als ik.

“Wie zou er morgen graag supergemotiveerd opstaan?!!!!!!” schreeuwde Carl veel te luid, en hij deed er om de een of andere reden een scorende basketballer bij na. Ik rolde keihard met mijn ogen en vroeg me af hoe vaak deze kerel al slaag had gekregen in zijn leven, tot.. Tot mijn grote consternatie stak iedereen in de zaal de hand op, met superwijdgespreide vingers dan nog wel. Iedereen, behalve ik. En Carl had het gezien.

*later deel drie alweer*