Dromen
Vorige week lag ik in bed, bijna klaar om in slaap te vallen, toen ik ineens opgeschrikt werd door mezelf. Meerbepaald door een grote snik, die van geweldig diep leek te komen, die me even totaal overspoelde en naadloos overging in nog meer gesnik.
Ik schrok, omdat ik ergens tussen slapen en waken zat, en niet helemaal doorhad dat ik al een tijdje aan mijn moeder lag te denken. Dat ik voor de zoveelste keer haar laatste dag aan het overlopen was, en het laatste dat ze tegen me zei, en het laatste beeld dat ik me van haar herinner.
De laatste dag van mijn moeder was één van de meest verwarrende dagen van mijn leven. Omdat we 's morgens nog gewoon thuis tegen elkaar zaten te praten alsof ze nog wel een tijdje meekon, en ik 's avonds mijn vader aan de lijn kreeg om te zeggen dat de dokter had gezegd dat ze op sterven lag. Of we zo snel mogelijk naar het ziekenhuis konden komen, want dat het er helemaal niet goed uitzag.
De gebeurtenissen daartussen, die ben ik tot mijn verbazing eindeloos aan het herhalen in mijn dromen, de laatste weken. Ineens besef ik zo goed als elke morgen dat ik het weer heb gedaan. Dat ik een al dan niet aangepaste versie van die 9de september heb beleefd.
Een droom waarin ik vaak foefel met de tijdstippen, zodat de aanval die ze in het echt op de ochtend van haar laatste dag kreeg, al maanden eerder voorvalt. Zodat ik denk dat ze het niet zal overleven, en in mijn hoofd al afscheid aan het nemen ben, maar ze het uiteindelijk toch overleeft. En nog maanden blijft leven, in plaats van een paar heldere uren in het echt.
In het echt verloor mijn mama opeens het bewustzijn, duurde het eeuwen voor de ambulanciers haar weer bij bewustzijn kregen, en was ik er een kwartier van overtuigd dat ze gestorven was. En toen werd ze ineens weer wakker, en bracht ik de uren die volgden door aan haar ziekenhuisbed met praten over hoe erg dat schrikken was zeg, en dat ze dat nooit meer mocht doen. Ik zat uren opgelucht naast haar, te kwebbelen alsof er niks gebeurd was, ervan overtuigd dat ik haar de ochtend erna om tien uur opnieuw zou zien. Dat zei ik ook. "Tot morgen." Ik meende het echt. Ik had geen idee dat ik om tien uur al een kist zou staan kiezen. Laat staan voor haar.
Ik heb geen idee waarom ik het van mijn hersenen zo vaak opnieuw moet beleven, de laatste weken, maar ik onderga het. Als het moet, dan moet het. Het is de enige manier die ik ken om haar nog eens tegen te komen, en dus hoor je mij niet klagen.