De mensen zeggen dat je toch ergens van dood moet gaan, en als het dan toch ergens van is, dat je er dan maar beter geniet van kan hebben. Ze zeggen dat ze anders zo zenuwachtig zijn. Ze zeggen dat ze hetzelfde boek hebben gelezen als ik, maar er alleen maar meer door gaan roken, omdat die kerel die het geschreven heeft zegt dat ze mogen blijven roken tot het uitgelezen is. Ze lezen het nooit uit. Ze blijven roken. Want ja, dat zeggen ze ook: dat die mens die dat boek geschreven heeft zelf gestorven is aan longkanker. Baha, wat een bedrieger! Ze vinden het zo grappig dat ze er dan maar eentje op roken.
Ze zeggen dat dat wel meevalt, van dat stinken en die walm, en dat dat toch zever is, dat je tegenwoordig niet meer mag op restaurant. Maar dat het eigenlijk tegelijk ook wel gezellig is, zo ’s avonds in de kou en in de regen buiten moeten gaan staan met de andere rokers. Het heeft iets. Iets van samenhorigheid. Ze zeggen ook dat het het enige is dat een mens nog heeft, tegenwoordig, en als ze dat ook nog eens gaan afpakken, waar gaat dat dan eindigen, meneer? Ze zeggen dat het in hun geval trouwens wel allemaal meevalt: nog geen pakje per dag, en dan nog lights, en hun grootvader rookt al heel zijn leven groene St-Michels en die mens heeft nergens last van. Negentig jaar, madam! Aha!
Ik zeg dat mijn moeder met moeite tien light sigaretten per dag rookte, en op haar zevenenveertigste dingen heeft moeten meemaken die ik geen mens toewens. Ik zeg dat ik alle mensen die zeggen dat je ergens van moet doodgaan graag eens had meegenomen tijdens haar chemosessies, en hen had willen laten meeluisteren tijdens mijn gesprekken met haar dokter over morphine en pijnbestrijding. Misschien dat dat meer effect heeft dan boodschappen op pakjes, ik weet het niet. Ik zeg dat ik ondertussen meer dan zes jaar gestopt ben, na elke dag meer dan een pakje, meer dan tien jaar lang. En dat nog altijd één van de beste beslissingen van mijn leven vind.
Ik zeg dat ik nog liever doodval dan ooit nog te herbeginnen.
En dat als ik het kan, de rest van de wereld dat met nog veel meer gemak moet kunnen.
Niemand heeft naar mij gewezen, toch niet in mijn blikveld. Er waren geen starende blikken, of mensen die elkaar een por gaven terwijl ze met openvallende monden in mijn richting wezen. Het was alleen ik en mijn nieuw badpak, en een vorm van gefakete zelfzekerheid die ik me in dit soort situaties al eens durf aanmeten omdat het alternatief huilerig wegkruipen is achter de regenboogglijbaan van het kinderbadje.
Soms is het één foto. Het ene moment ga je nog vrolijk door het pakketje dat je van het Kruidvat hebt meegebracht, het andere moment ligt de foto voor je neus. Je kijkt naar jezelf, in je blauwe streepjeszwempak waarvan je je in de winkel nog had laten overtuigen dat het afslankte. Je zit met een softijs in je hand op een plastieken tuinstoel, die veel te klein lijkt onder al dat gewicht dat lachend aan het ijsje likt. Naast je een vriendinnetje dat vier keer in je lichaam zou passen. Je kijkt en blijft kijken, ook al zou je de foto liefst stante pede ritueel verbranden, en je zweert op alles dat heilig is dat niemand je ooit nog in badpak zal zien. OOIT. Daarna ga je een uur janken op je kamer. Je bent zeventien, geen haan die naar zo’n dingen kraait.
‘Spreek ik met lilith?’.
Ik heb een kleine broer, en die kleine broer heeft dezelfde naam als ik. Spijtig genoeg voor dit verhaal is dit niet waar, maar het scheelt wel maar twee letters. Twee letters die ervoor zorgen dat zijn naam de mannelijke versie is van mijn naam. Genre lilith en liboth. Of lilith en balith. You get the point.
Mijn man en ik leven al vijf jaar in een huis waarvan de woonkamerdeuren niet dicht kunnen. Iets met verbouwingswerken en muren die zich gezet hebben, en deuren niet mee. Al vijf jaar lopen mijn vent en ik om de zoveel tijd te zagen tegen elkaar over onze deuren. ‘Heb jij nu al eens gebeld voor die deuren?’. ‘Jamaarja, naar wie moet ik bellen?’. ‘Weetikveel. Een deurman?’. ‘Een deurman bestaat niet.’ ‘Ja oke, bel dan iemand anders.’
Vroeger, beste kijkbuiskinderen, was er geen Facebook. En ook geen Twitter. Zelfs geen internet op telefoons, en zelfs geen telefoons! (al was dat dan wel heel erg vroeger) Als je vroeger iets wereldkundig wilde maken, let’s say in de jaren tweeduizend, dan moest je daar eerst een paar strepen html voor leren, dan moest je dagen en weken sukkelen en vloeken en zweren dat je de kerel die Frontpage of Angelfire had uitgevonden dra op zijn muil ging slaan als dat gezever hier nog lang zou duren, en als dat allemaal gelukt was, dan kon je bloggen.
Ik ken iemand die een panische angst heeft voor kippen. Panisch als in hysterisch gillend weglopen als er een kip een paar pluimen beweegt in een straal van vijftien meter. En het is een man. Batshit cuhrazy. Nadat ik uitgeschaterd was bleek dat ook de mama van de man en de zus van de man dergelijk van de pot gerukt gedrag vertonen. Toen maakte het opeens net iets meer sense, vond ik.
Nog drie maanden en half en ik word dertig, een leeftijd waarop je er toch eens achter mag beginnen kijken, zoals mijn moeder zaliger het zou uitgedrukt hebben. En kijken deed ik, toen ik overlaatst geïnspireerd door die gedachte werd meegetroond door een vrouw in een witte jas, naar een kamer met daarin een dikke boeddha, een tafel waar ik op moest gaan liggen en een zweem relaxerende muziek waar ik anders gillend voor zou gaan lopen, maar nu niet. Dit was mijn moment. Me-time, zoals mijn Flaircollega’s het zo geweldig Flair kunnen uitdrukken.