Maandelijks archief: mei 2011

Wat de mensen zeggen

antisigaret.jpgDe mensen zeggen dat je toch ergens van dood moet gaan, en als het dan toch ergens van is, dat je er dan maar beter geniet van kan hebben. Ze zeggen dat ze anders zo zenuwachtig zijn. Ze zeggen dat ze hetzelfde boek hebben gelezen als ik, maar er alleen maar meer door gaan roken, omdat die kerel die het geschreven heeft zegt dat ze mogen blijven roken tot het uitgelezen is. Ze lezen het nooit uit. Ze blijven roken. Want ja, dat zeggen ze ook: dat die mens die dat boek geschreven heeft zelf gestorven is aan longkanker. Baha, wat een bedrieger! Ze vinden het zo grappig dat ze er dan maar eentje op roken.

Ze zeggen dat dat wel meevalt, van dat stinken en die walm, en dat dat toch zever is, dat je tegenwoordig niet meer mag op restaurant. Maar dat het eigenlijk tegelijk ook wel gezellig is, zo ’s avonds in de kou en in de regen buiten moeten gaan staan met de andere rokers. Het heeft iets. Iets van samenhorigheid. Ze zeggen ook dat het het enige is dat een mens nog heeft, tegenwoordig, en als ze dat ook nog eens gaan afpakken, waar gaat dat dan eindigen, meneer? Ze zeggen dat het in hun geval trouwens wel allemaal meevalt: nog geen pakje per dag, en dan nog lights, en hun grootvader rookt al heel zijn leven groene St-Michels en die mens heeft nergens last van. Negentig jaar, madam! Aha!

Ik zeg dat mijn moeder met moeite tien light sigaretten per dag rookte, en op haar zevenenveertigste dingen heeft moeten meemaken die ik geen mens toewens. Ik zeg dat ik alle mensen die zeggen dat je ergens van moet doodgaan graag eens had meegenomen tijdens haar chemosessies, en hen had willen laten meeluisteren tijdens mijn gesprekken met haar dokter over morphine en pijnbestrijding. Misschien dat dat meer effect heeft dan boodschappen op pakjes, ik weet het niet. Ik zeg dat ik ondertussen meer dan zes jaar gestopt ben, na elke dag meer dan een pakje, meer dan tien jaar lang. En dat nog altijd één van de beste beslissingen van mijn leven vind.

Ik zeg dat ik nog liever doodval dan ooit nog te herbeginnen.
En dat als ik het kan, de rest van de wereld dat met nog veel meer gemak moet kunnen.

(nav de werelddag zonder tabak)

lilith moet het van andermans spataders hebben

swim.jpgNiemand heeft naar mij gewezen, toch niet in mijn blikveld. Er waren geen starende blikken, of mensen die elkaar een por gaven terwijl ze met openvallende monden in mijn richting wezen. Het was alleen ik en mijn nieuw badpak, en een vorm van gefakete zelfzekerheid die ik me in dit soort situaties al eens durf aanmeten omdat het alternatief huilerig wegkruipen is achter de regenboogglijbaan van het kinderbadje.

Toen ik bekomen was van het exploiten van mijn lichaam voor de ogen van de hele Ieperse zwembadposse bemerkte ik vanuit baan 1 dat er daar iets rondloopt zeg, in dat zwembad. Mannen met erg mislukte tattoo’s, bijvoorbeeld, en vrouwen met zotte vormen van cellulitis, of benen met spataders, vergezeld van mannen met waarlijk indrukwekkende buiken. En allemaal leken ze een jolly good time te hebben. Wat mij ook een jolly good time bezorgde, want zo ben ik wel. Niets dat mijn zelfvertrouwen meer opkrikt dan een paar gigantische spataders bij iemand anders!

Ik zwom uiteindelijk twaalf baantjes, rekende uit dat dat driehonderd meter is, en besliste dat ik dit echt veel vaker wil gaan doen.

En het beste nieuws moet nog komen: vanmorgen werd ik wakker, en mijn haar bleek ineens te krullen! What is there not to love, eigenlijk?

lilith gaat het nog eens proberen

olifantzwembad.jpgSoms is het één foto. Het ene moment ga je nog vrolijk door het pakketje dat je van het Kruidvat hebt meegebracht, het andere moment ligt de foto voor je neus. Je kijkt naar jezelf, in je blauwe streepjeszwempak waarvan je je in de winkel nog had laten overtuigen dat het afslankte. Je zit met een softijs in je hand op een plastieken tuinstoel, die veel te klein lijkt onder al dat gewicht dat lachend aan het ijsje likt. Naast je een vriendinnetje dat vier keer in je lichaam zou passen. Je kijkt en blijft kijken, ook al zou je de foto liefst stante pede ritueel verbranden, en je zweert op alles dat heilig is dat niemand je ooit nog in badpak zal zien. OOIT. Daarna ga je een uur janken op je kamer. Je bent zeventien, geen haan die naar zo’n dingen kraait.

De zeventien jaar voor je huilbui heb je nochtans de helft van de tijd met gerimpelde vingers doorgebracht, omdat je totaal zot was van zwemmen. In zee, in de subtropische zwemparadijzen waar je ouders je om de zoveel tijd voor een midweek mee naartoe namen, in elk zwembad in de buurt, met school. Als er maar wildwatervallen en glijbanen waren mochten ze je gerust twaalf uur achterlaten. Niemand zwom liever dan jij. Niemand.

Toen je op je vijfentwintigste de beslissing moest nemen om al dan niet een maagverkleining te ondergaan zette je het dan ook helemaal bovenaan op je lijst van redenen om het te doen: ‘weer kunnen gaan zwemmen.’ Alleen ben je sinds je operatie welgeteld drie keer in een zwembad geweest, en dan nog in een privézwembad. Je bent dan wel erg veel vermagerd, maar die dure eed die je gezworen hebt, die krijg je precies maar niet ongedaan gemaakt.

Bleek nog maar eens toen je twee weken geleden een badpak kocht om op persreis te gaan, en bij het aanschouwen van een prachtig zwembad met palmbomen last minute besliste om het toch maar niet te doen. Zelfs al lag het rond het zwembad vol gepensioneerden die duidelijk veel minder last hadden van gene om hun lichaam dat in een nog veel minder goede staat verkeerde dan dat van jou. Je liet je zwempak mooi in je koffer zitten. Het water was toch veel te koud.

Maar vanavond ga je zwemmen.
In een openbaar zwembad. Baantjes trekken.
Je hebt het jezelf beloofd. Al minstens zeventien keer.
En vanavond, beste lilith, ga je het nog doen ook.

lilith bemerkt een nieuwe tactiek bij de callcenterwijvekens

CallCenterHeadset-main_Full.jpg‘Spreek ik met lilith?’.
‘Dat spreekt u.’
‘Mevrouw, nog eens met X van Mobistar. Ik heb u vorige week al eens gebeld, maar toen zat u in het buitenland.’
‘Dat klopt, en nu ben ik aan het werk. Het komt me niet echt uit, en uw voorstel zal me vast ook niet bijzonder hard interesseren.’

(kwaad) ‘Mevrouw, ik bel u vorige week, dan past het niet, nu bel ik u terug en nu past het weer niet voor u. U zult toch echt wel eens tijd vrij moeten maken voor mij hoor.’
(verbaasd) ‘Aja. Waarom wel? Ik heb helemaal niks nodig.’
‘Mevrouw! Omdat ik u toch echt wel een promotie moet aanbieden.’
‘Maar ik wil helemaal geen promotie.’
(streng, duidelijk oogrollend) ‘Ja, zo kan ik uw tarief dan ook echt wel niet naar beneden doen gaan hoor.’
‘Ik vind dat echt niet erg. Echt echt niet.’
(nog strenger) ‘Mevrouw, ik bel u morgen nog één keer, en als u dan niet naar mij luistert bel ik u NIET MEER TERUG.’

‘Laat ons ineens afspreken dat ik dan ook niet zal luisteren.’
‘….’
‘Hallo?’.
(getuut)

lilith denkt van OMGnoow

OMG.jpgIk heb een kleine broer, en die kleine broer heeft dezelfde naam als ik. Spijtig genoeg voor dit verhaal is dit niet waar, maar het scheelt wel maar twee letters. Twee letters die ervoor zorgen dat zijn naam de mannelijke versie is van mijn naam. Genre lilith en liboth. Of lilith en balith. You get the point.

Ik moest aan mijn broer denken toen ik vanmorgen in de dagbladhandel van het station tot het vreselijke besef kwam dat ik -o god neen zeg dat het niet waar is- MIJN PORTEFEUILLE VERGETEN WAS. Ik! Mijn portefeuille vergeten! Stokkende adem, angstzweet, een leven dat razendsnel aan mijn netvlies voorbij trok, want hoe was dat nu in godsnaam mogelijk? Ik neem al duizend jaar de trein, en dit was de allereerste keer dat ik mijn portefeuille vergat. Stomweg vergeten te versteken bij het veranderen van tas. Hoe zou onze heldin dit ooit nog teboven komen, mensen?!

En toen dacht ik dus aan mijn dekselse kleine broer, en hoe ongelooflijk het is dat mensen die in voornaam en achternaam slechts twee kleine lettertjes van elkaar verschillen zo hard niet op elkaar kunnen lijken. Mijn broer laat camera’s in vijvers vallen als mensen hem een uur eerder hebben gevraagd om asjeblieft hun camera niet in een vijver te laten vallen. Beseft een uur voor hij met de trein op reis moet vertrekken dat de trein niet zo vroeg rijdt zodat hij niet op de luchthaven kan geraken. Staat al eens te koekeloeren in een ander station dan dat waar zijn trein uit zou vertrekken. Heeft bij het besef dat dit soort dingen weer aan het gebeuren zijn in zijn dagelijks bestaan nog nooit zo’n wazige blik gehad als ik vanmorgen in de dagbladhandel.

Ben ik in vergelijking met mijn perfectionistische wederhelft en zijn familie een nogal nonchalante, in vergelijking met mijn broer ben ik de grootste regelseut die er bestaat. Ik mis NOOIT treinen. Ik vergeet GEEN afspraken, en ook geen jassen of sleutels. Ik controleer dat namelijk drie keer voor ik de deur uitga. Ik val nog liever DOOD dan dat ik lange tijd niet bereikbaar ben, of iets niet goed heb voorbereid, of geen plannen B, C en D heb bedacht voor ik ergens naartoe vertrek. C to the rontrolefreak, amai nog nie.

Maar als mijn broer zorgeloos en zen kan zijn op momenten dat werkelijk alles in het honderd loopt, en dat al zijn hele leven lang, dan kan ik dat ook. Na een paar uur rondlopen zonder portefeuille blijkt zelfs dat de wereld echt gewoon zal wachten met vergaan tot 21 oktober.

Opgelucht, ik moet het u niet zeggen.
(Ik moet trouwens van mijn broer zeggen dat hij niet meer zo is. Van die vijvers.)

lilith en het deurendrama

deurkier.jpgMijn man en ik leven al vijf jaar in een huis waarvan de woonkamerdeuren niet dicht kunnen. Iets met verbouwingswerken en muren die zich gezet hebben, en deuren niet mee. Al vijf jaar lopen mijn vent en ik om de zoveel tijd te zagen tegen elkaar over onze deuren. ‘Heb jij nu al eens gebeld voor die deuren?’. ‘Jamaarja, naar wie moet ik bellen?’. ‘Weetikveel. Een deurman?’. ‘Een deurman bestaat niet.’ ‘Ja oke, bel dan iemand anders.’

Jaren en jaren gingen voorbij, en de deuren, die bleven altijd op een kier staan bij ons thuis. Op zich is dat best mooi, dat je deur altijd op een kier staat, maar het bleef voor wrevel en ergernis zorgen, zeker toen ik na weer een kwartier gezaag over al dan niet gebeld naar de deurman (die dus niet eens bestaat) de dwaze woorden ‘Weet je wat?! Dan doe ik het zelf wel!’ sprak. Waarop ik dus maanden het lijntje ‘deurman bellen’ meesleepte door al mijn to do lijstjes. Of ik al had gebeld naar de deurman, vroeg mijn lief dan. ‘Denk jij eigenlijk dat ik maar dat te doen heb?’ was zijn verdiende loon.

Tot enkele maanden geleden. Bleken de ouders van hij-die-wel-zaagde-over-de-deurman-maar-die-ik-zelf-nooit-een-deurman-heb-weten-contacteren wel geen deurman te kennen zeker? ‘Laat de deurman dan toch tot mij komen!’, squeakte ik geëmotioneerd tot mijn schoonmoeder. En hij kwam. En hij zei niet dat deze opdracht compleet onmogelijk was, zoals ik al jaren dacht, maar wel: ‘Is het goed als ik volgende zaterdag kom? Dat zal niet te lang duren, komt in orde.’ Met een krop de grootte van een pingpongbal in mijn keel keek ik door mijn betraande ogen, en ik knikte: ‘We zullen er zijn, deurman.’

Dus nu sluiten onze deuren. Voor het eerst in vijf jaar. Alleen zijn wij het zo gewoon geworden dat onze deuren niet kunnen sluiten, dat we ze uit pure gewoonte op een kier laten staan.

En om de zoveel tijd woorden over.
Goed geraden.

lilith doet mee aan de blog revival

retrotftc.jpgVroeger, beste kijkbuiskinderen, was er geen Facebook. En ook geen Twitter. Zelfs geen internet op telefoons, en zelfs geen telefoons! (al was dat dan wel heel erg vroeger) Als je vroeger iets wereldkundig wilde maken, let’s say in de jaren tweeduizend, dan moest je daar eerst een paar strepen html voor leren, dan moest je dagen en weken sukkelen en vloeken en zweren dat je de kerel die Frontpage of Angelfire had uitgevonden dra op zijn muil ging slaan als dat gezever hier nog lang zou duren, en als dat allemaal gelukt was, dan kon je bloggen.

En hell, dat deed je!
Je blogde zeker elke dag, en soms meerdere keren per dag, en je lief blogde mee, in een ander kleur op dezelfde blog, en je zag plots dankzij een tellertje dat er zelfs mensen waren die je stukjes lazen, en je was verwonderd als nooit tevoren, en ook blij. En toen wilde je comments, want je wilde natuurlijk ook feedback van al die lezers. Tot er eens een paar lezers zeiden dat je een dwaze aandachtsgeile kalle was die dacht dat ze het was zeker omdat ze een weblog had, toen wilde je plots geen comments meer. Toen zei je tegen je vent: “Maak al die commentaarveldjes maar weer mooi dicht!”.

Er waren de momenten waarop je zo lang stopte met bloggen dat je een dramatisch “ik stop ermee hoor jongens” gerechtvaardigd vond, maar je kwam altijd weer met hangende pootjes terug als al het boehoehoe was gaan liggen dus dat was eigenlijk feitelijk achteraf bekeken en bestudeerd een beetje belachelijk. Maar de rest deed het ook, dus whatever. En toen kwam dat dekselse Facebook plots in zicht, samen met Twitter, en toen had je plots een iPhone, en moest je ook nog eens hele dagen je boterham met smeerkaas verdienen met schrijven. En ’s avonds was je zo compleet krom geschreven dat je het maar bij berichtjes op Facebook hield, en deed alsof je blog eigenlijk niet meer zo hard bestond.

Maar toen was het dus plots #blogrevival. Met allemaal dinosauriërs van webloggers die een week lang elke dag stukjes gaan schrijven op hun goede oude blog, vanaf vandaag. En toen vond je dat je maar weer eens mee moest doen, want je wist natuurlijk maar nooit of de goesting misschien wel keihard weer zou inslaan. ‘Blogs zijn het nieuwe Facebook’, dacht je nostalgisch glimlachend, en misschien dacht je nog zo dwaas niet.

Dingen die ik al vijf jaar niet meer heb gehad

CallCenterHeadset-main_Full.jpgEen loonbriefje. Betaald verlof. Evaluatiegesprekken waarin woorden als incentives en targets en ander marketingees niemand doen oogrollen. Maandelijkse vergaderingen vol powerpointslides met cijfers en tabellen die me totaal gestolen kunnen worden. Een idee van welk bedrag er op het einde van de maand op mijn rekening zal gestort worden. Iemand die me laat weten dat ik niet op internet mag tijdens de werkuren, noch mijn gsm mag laten aanliggen. Pipi mag wel, maar niet te dikwijls. Een baas. Vaste werkuren. The smell of maaltijdcheques in the morning.

Vijf jaar geleden liep ik voor het laatst het kantoor uit van een bedrijf dat mij betaalde als bediende, een proper woord voor callcenterwijveken. Ik wist het toen nog niet, maar de komende vijf jaar zou elke vorm van vast salaris wegvallen en zou ik volledig overgeleverd worden aan het zelfstandig zijn, en alle zotte, fijne, enerverende, lastige en compleet deprimerende dingen die mee in dat pakket zitten. Deprimerende, als in boekhouding en treinen die stinken naar een mengeling van zweet, natte hond en fermenterend fruit. *huilt*

Alles leek op dat moment in mijn leven evenwel beter dan de mistroostige plek waar ik van weg liep. De plek waar gesprekken alleen gingen over het aantal mensen dat je er al telefonisch had weten op te leggen, hoe slecht de Poolse poetsvrouw haar werk wel niet deed en hoeveel minuten het nog was voor we weer naar huis mochten. En tegelijk was het wel een zekerheid geweest, en zekerheden die wegvallen, dat is akelig, man. Ook al zijn het zekerheden die ervoor zorgen dat je een zomerse week lang met een burnout in de zetel belandt, snikkend als een klein kind en met net voldoende energie om je ogen van de muur naar je lief te bewegen als die ’s avonds thuis komt van het werk. Om dan weer te beginnen snikken. Jolly good times.

Als iemand me vijf jaar geleden had verteld dat ik erin zou slagen om mijn brood te verdienen als zelfstandig journalist, en ook nog eens betrekkelijk snel en vlotjes, ik zou het niet durven geloofd hebben. Maar ziet: ik heb een keuken, en er ligt brood in. En zelfs beleg en boter. Het is me potverdorie nog gelukt ook.

Als iemand me vijf jaar geleden had gezegd dat ik na vijf jaar zelfstandig zijn in een meestal wel fijne job nog altijd af en toe zou snakken naar de zekerheid van elke maand een vast loon, vaste uren, een leven waarvan ik weet hoe het er binnen een paar maanden zal uitzien, en dat ik tegelijk ook vreselijk zwaar kan gruwen van die gedachte, ik had het ook niet geloofd. Ergens had ik toen gedacht dat ik rustiger zou zijn in mijn hoofd. Dat ik het allemaal iets klaarder zou zien, en zo’n vrouw zou zijn met een opgeruimde handtas, een opgeruimd hoofd en een lamineermachine. Want ja, ik droom al heel mijn leven van mijn eigen lamineermachine.

We zijn vijf jaar verder, mijn leven is helemaal veranderd op honderdduizend vlakken, behalve op één: ik blijf de meest rusteloze mens die ik ken. En die rusteloze mens zit dan ook nog eens in een bijzonder rusteloze periode, as we speak, zeg. En rusteloos maal rusteloos, dat is serious business. Wreed benieuwd dus naar wat ik hier binnen een jaar of vijf bij wijze van evaluatie ga moeten zetten. Of een maand of twee, for that matter.

ALS COMPUTERS DAN NOG WEL BESTAAN. :aah:
(want zelfs dat weet je nu eenmaal nooit zeker)

lilith vindt het wel meevallen

rijangst.jpgIk ken iemand die een panische angst heeft voor kippen. Panisch als in hysterisch gillend weglopen als er een kip een paar pluimen beweegt in een straal van vijftien meter. En het is een man. Batshit cuhrazy. Nadat ik uitgeschaterd was bleek dat ook de mama van de man en de zus van de man dergelijk van de pot gerukt gedrag vertonen. Toen maakte het opeens net iets meer sense, vond ik.

Soms vraag ik me af of moeders wel beseffen hoeveel invloed ze op dat vlak op hun kinders hebben. Alle mensen die ik ken die doodsbang zijn voor honden hebben moeders die ook doodsbang zijn voor honden. Hetzelfde geldt voor spinnen, knaagdieren en drilboren. Ik vind dat een bijzonder akelige gedachte, maar vertel het asjeblieft niet aan mijn toekomstige koters.

Mijn persoonlijke moeder was bang om op autosnelwegen te rijden. Als je op de momenten dat zij aan het stuur zat bloed had willen trekken (wat vreemd zou geweest zijn, maar je weet nooit), dan was er volgens mij geen druppel aan te treffen in heel haar lichaam. Gelukkig werkte mijn moeder niet ver van huis, op een plek waar je naartoe kon rijden tussen de velden. Zo diep in de West-Vlaanders dat de dieren er nog konden spreken. Om de zoveel maanden nam ze toch een autosnelweg, omdat ze naar de Auchan moest en ze via binnenweggetjes zeven keer langer dan nodig onderweg zou zijn . Als ik dan naast haar zat rolde haar doodsangst in grote golven over mij heen. In het kwartier op de A19 tussen Ieper en Menen zag ik mijn jonge leven dertig keer aan me voorbij flitsen. Al die vieze vieze camions!

Maar toen kreeg ik dus een lief dat zijn dagen vult met autosnelwegen aan elkaar rijgen. Het doet hem niks. Ineens werd ik vlotjes over de Brusselse ring gechauffeerd alsof het niets was, en toen ik -toegegeven, niet volledig op mijn gemak- zelf werd aangemaand om met de L op de bolide zo’n snelweg op te rijden viel ik bijna omver van hoe mijn ervaring verschilde van die van mijn mama. Ik vind autosnelwegen eigenlijk feitelijk helemaal niet zo vreselijk als mij altijd is ingeprent.

Net zo met béchamelsaus maken. Iemand heeft mij er ooit van overtuigd dat dat aartsmoeilijk is, met een roux enzo. EEN ROUX! :aah: Daardoor heb ik jaren vanalles uitgeprobeerd in de keuken, maar een béchamelsaus? Ho maar, dat moest Youri voor mij oplossen! Op een blauwe maandag voelde ik me zo stoer dat ik het toch heb geprobeerd, en wat bleek? Béchamelsaus is zowat het makkelijkste dat in een keuken kan gemaakt worden. Was dat even schrikken.

Zo moet het toch constant met vanalles zijn, denk ik dan.
En dat ik misschien toch eens moet proberen om zelf een lamp in te draaien, het gras af te rijden, een IKEA-kast in elkaar te steken of een kader op te hangen. Wie weet maak ik wel eens zelf mayonaise!

Hoe gek kan het worden?

lilith kijkt er eens achter

pic_gelaat_renaud2.jpgNog drie maanden en half en ik word dertig, een leeftijd waarop je er toch eens achter mag beginnen kijken, zoals mijn moeder zaliger het zou uitgedrukt hebben. En kijken deed ik, toen ik overlaatst geïnspireerd door die gedachte werd meegetroond door een vrouw in een witte jas, naar een kamer met daarin een dikke boeddha, een tafel waar ik op moest gaan liggen en een zweem relaxerende muziek waar ik anders gillend voor zou gaan lopen, maar nu niet. Dit was mijn moment. Me-time, zoals mijn Flaircollega’s het zo geweldig Flair kunnen uitdrukken.

Nog voor ik het woordje “zweveriggedoe” kon uitspreken lag ik op de tafel met warme handdoeken rond mijn gezicht en werden er wenkbrauwen geëpileerd waarvan ik niet eens wist dat ik ze had. Ik had me aan een avontuur verwacht toen ik ‘gelaatsverzorging’ had ingetikt op Google, maar dit sloeg werkelijk alles!

Met een stemgeluid waar ik dan weer zo chill als een rietmusje van werd stelde de vrouw in het wit me volledig gerust omtrent de toestand van mijn epidermis (“het is helemaal geen slagveld, hoor”) en wat er nog mee zou gebeuren (“het zal heel erg rood worden en prikken, en als je denkt dat het niet meer warmer kan zal het nog warmer worden, maar dat is normaal”), en het enige dat ik kon denken was dat er nog zoveel sectoren onaangeboord zijn gebleven in mijn leven. En dat dat toch werkelijk dieptriest is.

Ik heb nog nooit ervaren hoe een manicure of pedicure voelt, ik ben nog nooit professioneel gemasseerd of gescrubd, laat staan gekraakt, in plastiekfolie gewikkeld of dichtgeplamuurd met modder uit de dode zee. “Gaat het?”, vroeg de vrouw in het wit, en ik knikte, maar eigenlijk had ik willen schreeuwen dat het helemaal niet ging. Dat ik zo low maintenance ben als de pest, dat ik altijd beknibbel op dit soort geweldige wellnessexperiences en dat dat wel eens gedaan mocht zijn.

Dergelijke zaken dacht ik in steeds verder gevorderde vormen en bewoordingen, toen ik na afloop roodgloeiend en prikkend achter de vrouw in het wit aandrentelde. Die verschafte me nog wat extra informatie over alle briljante producten die ze in haar neerdoenerij had staan, en die me zouden helpen om er met de dag stralender en stralender uit te zien. En stralender en stralender, dat had ik volgens mij wel verdiend, na maanden van slag om slinger werken en geen enkele scrubexperience whatsoever. Ik voelde me als een boerendochter die voor het eerst met de trein naar de grote stad mocht, zeg. Al die mogelijkheden!

Toen ik na haar enthousiaste uitleg langs mijn pas gepeelde neus weg informeerde naar de prijs van deze range wonderbaarlijke productjes en ampoules werd echter snel duidelijk dat het slagveld in mijn portemonnee compleet niet te overzien zou zijn bij de aankoop ervan. Sterker nog: dat ik een lening van een paar maanden zou moeten afsluiten wilde ik mijn huid scrubben en onderhouden zoals deze vrouw het van mij verwachtte. Toen werd het plots heel stil in de keet.

De blauwe potten van Nivea zijn ook goed, naar het schijnt. En uw vel brandt daar tenminste geen drie dagen van gelijk de beesten.