Ik weet niet hoe dat bij u zit, maar ik snap het hele spelletje “meisjes tegen de jongens” dat nogal wat mensen op deze aardkloot gedurende heel hun bestaan lijken te spelen nog steeds niet. Besefte ik toen ik net weer een hoop geslachtsgenoten lid zag worden van facebookgroepen als “God maakte eerst de man, en toen had hij een beter idee!”, of “Vrouwen hebben altijd gelijk, ook als ze niet gelijk hebben.”
Nooit goed gesnapt dat vrouwen voor een quizkandidaat supporteren omdat ze een vrouw is, eerder dan omdat ze over andere coole quizeigenschappen als (ik zeg maar wat…) een geweldige algemene kennis beschikt. Neens, ze moet godverdomme winnen, want zij heeft een vagina, en wij ook. Vrouwen steunen vrouwen, hip hoi!
Om het niet eens te hebben over het aantal vrouwen van diverse pluimage dat mij op verschillende werkplekken bijna door de grond heeft doen gaan van plaatsvervangende schaamte omdat ze zelfs in een professionele omgeving vinden dat er een soort vrouwen-tegen-de-mannen-spelletje moet gespeeld worden, met tenenkrullende onprofessionele en ja, ik durf het zeggen, ronduit debiele opmerkingen op ongepaste momenten tot gevolg. *cringe*
Ik weet niet of het aan mij ligt, maar ik voel mij helemaal niet speciaal verbonden met mensen die hetzelfde geslacht hebben als ik. Ik heb niet het gevoel tot een speciaal aangenaam clubje te behoren, op basis van het feit dat ik vrouw ben. En ik vind ook helemaal niet dat ik op een vrouw moet stemmen in het kotje, zoals nogal wat anderen dat wel vinden. Ik stem gewoon voor de goeie, ik. En dat is wat mij betreft nogal dikwijls een man. MET EEN PENIS. Als ik vrouwen zoveel leuker vond dan mannen was ik wel lesbisch geworden, denk ik dan.
Is dat erg, eigenlijk? :(
Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: ik haat de tonguitsteeksmiley.
Mocht u ooit op zoek zijn naar mijn zwakke plek, het is het moment. Ik heb best een hoge pijngrens, ik kan betrekkelijk goed tegen warm en koud, maar één ding mogen ze mij niet afpakken: mijn slaap. Daarvan heb ik grote hoeveelheden nodig, minimum acht uur per nacht, bij voorkeur tien. Als één of ander stom virus er dan plots voor zorgt dat ik twee nachten van drie nog niet aan twee uur slaap kom, dan kunt u zich voorstellen dat ik mij niet bepaald fris voel. Om niet te zeggen: compleet belabberd. En lastig, omdat mijn weekend zo’n beetje voorbij gaat zonder dat ik er bijster veel aan heb. En omdat ik weiger te slapen tijdens de dag, want zo ben ik dan weer wel.
Mijn moeder deelt sinds gisteren een ziekenhuiskamer met een oudere dame van ongeveer veertig kilogram. Dat is altijd even kat uit de boom kijken, een nieuwe kamergenote, en al helemaal omdat noch mijn moeder noch ikzelf al ooit bij iemand gelegen hebben die wij ook maar enigzins een toffe griet vonden. Dat kan ook aan ons liggen, al betwijfel ik dat ten zeerste.
Serieus, al die wasmachinereclames van “Ik had het nooit mogen wassen op zestig graaaden!” waarbij een madam een truitje omhoog houdt dat hevig gekrompen is, ik heb altijd gedacht dat dat om te lachen was. Dat die truitjeskrimping werd overdreven om het effect te verergeren, ofzo. Tot ik vanmorgen mijn lievelingstrui uit de wasmachine opdiepte en tot de constatering kwam dat
Het is doorgans de beste manier om mij een rothumeur te bezorgen: surfen naar hln.be. Niet zozeer om de povere verslaggeving of de zucht naar sensatie van ‘Het Laatste Nieuws’, not at all. Wel omwille van het lezerspubliek dat er de mogelijkheid krijgt om op de nieuwsberichten te reageren, en die kans om eens goed zijn zeg te doen grijpt met beide handen. 
Dertig meter ver was ik, en ik had al zes keer neen gezegd. Eén keer om de vijf meter.
Ik ben net wakkergeschoten en ik ben me nog volop aan het afvragen waarom ook al weer als de bel gaat. Ik kijk op onze wekkerradio: 02:15. Dat is een vreemd uur om aan te bellen. Zatlappen die belletje trek doen, denk ik nog, en dan gaat de bel opnieuw. En nog eens. Dringender nu. Iemand heeft duidelijk iets van ons nodig.
Vandaag zal de geschiedenis ingaan als de tweede dag in teenslipper hell.